Doorgaan naar hoofdcontent

Psalm 46

God is een toevlucht t'allen tijde,
die ons uit nacht en dood bevrijdde.
Al zou de aarde ondergaan,
wij zienhet zonder vrezen aan.
Al staat geen berg meer vast, al dreigen
de zeeƩn overhand te krijgen,
laat schuimend al hun golven slaan,
wij zien het zonder vrezen aan.
de Godsstad ligt aan blanke stromen.
God staat haar bij, de dag zal komen.
Hij woont in haar, zijn wankelt niet,
zij kroont zijn heilig heid rijksgebied.
al hebben volken zich verheven.
Hij roept en doet de aarde beven.
Hij is met ons, Hij wendt ons lot.
Een vast burcht is onze God

Reacties

Populaire posts van deze blog

christelijke gedichten deel 3...

Ik kan het niet geloven Is hij het wel? Hij is er, daarbovenKom kijken, snel Hij waakt over ons Hij is er voor ieder lot Diegene geeft niemand de bons Dat is god Hij kijkt niet blij Wat is er aan de hand? Hij stak zijn hand op en zei…. Oorlog hier, haat daar Vanwaar die oorlog om je heen? De wereld waken is al zwaar Waar gaat het heen? Hou op met stelen Hou met vechten Ga samen delen Iedereen heeft zijn of haar rechten Troost elkaar Geef elkaar de hand Het geeft een mooi gebaar En er is vrede in elk landGod is er altijd Help elkaar uit het vuur Je krijgt geen spijt Ook al duur het een uur

trouwerij gedichten deel 2...

Jij, jij bent mijn vrouw Al heel wat jaren in mijn leven De vrouw waar ik van hou Ons leven , ons leven in elkaar verweven Vaak kijk ik in je bruine ogen En streel ik door je haar Wat is de tijd gevlogen God” wat hou ik toch van haar Als ik je weg zie gaan Kijk je om ,daar gaat ze dan Ze heeft me toch zien staan In het begin de vlinders in mijn buik Het voelde voor mij zo vreemd Misschien net als Mozes, en de brandende doornstruik Een geschenk geven Waar je wat aan hebt Een geschenk voor jou Zonder dat je iets kwijt raakt in je leven Een geschenk omdat ik van je hou

Psalm 16

Heer, God die altijd IS, vaak heb ik aangelopen achter mijn gedachten. Woorden, als waren ze mijn God. Nu dank ik U. Mijn lief, mijn troost, U geeft mij U zelf. U bent de beker waaruit ik drink. U bent het brood dat ik eet. 's Nachts en overdag verheugt heel mijn lichaam zich, verblijdt zich mijn geest. Door alles heen stel ik mij U voor ogen. U laat mij leven. In U gerustben ik geborgen. Het kwaad en zijn dreigen Gaan door uw trouw voorbij. Tot in uw Rijk mag mij hart wonen bij U.